Imagineering: the kite of state

Ever wondered what the relation is between kites, state building and economics? Our new article in Early Modern Low Countries journal on the “Kite of State” dives into the history of kiting and analyses the imagineering techniques of this device. The introduction of kiting in Europe, around 1600, not also provided a new toy for children, it also stimulated imagination and helped to conceptualize the abstract concept of state formation in general, and the construction of the Dutch Republic specifically. In competition with the traditional iconography of bubbles, Icarus, the Ship of State and the Body Politic, the kite provided new opportunities for cultural imagery. It facilitated the analysis and visualisation of complex phenomena such as the state system of the Dutch Republic, the interplay between Stadtholder and Land’s Advocate, the ambition of statesmen, the international balance of power, and – in the realm of economics – speculative stock trading. The kite, a new technological device, helped to narrate the story of a proud Republic, based on technological accomplishments, economic modernity and moral superiority, and admired by other nations for its high flight.

Kitestate

Advertisements

Approaching Emotions

October 17, I will give a lecture in Athens, at a conference “Approaching Emotions” (invitation by the Netherlands Instituut Athene). The conference is connected to the exhibition “A world of emotions” in the Acropolis Museum. Emotive poster!

 

 

Why Wind? Article in Dutch national newspaper about my research

Trouw artikel over Windhandel

Today, Trouw published a 2 page long, marvelous article about my stock market research, specifically about the project Wouter de Vries (PhD student VU) and I conducted on the concept of “Windhandel” (wind trade). Where the English prefer “bubble” to indicate speculative trade, and the French would use terms like “bulle spéculative” or “système de John Law” (for the financial crisis of 1720), the Dutch use the term “Windhandel”. Many authors think this term has been in use since the start of stock trading and Tulipmania, at the beginning of the seventeenth century. We discovered that this is quite incorrect. The concept of windhandel was used now and then at the end of the 17th century, but suddenly boomed into existence during the financial crisis of 1720. In our research, we try to explain why this happened and how the concept of windhandel shaped our ideas about stock trading in general and speculations and financial crises specifically.

Willem Schoonen, chief editor of the science section of Trouw covered this research in a very insightful article.

May 2017 – research in France /Italy

Quite a month – this month of May:

2017-04-28 14.23.05

Started out in the Paris Archives Nationales – to explore documents on  stock trading practices and discourses. Found great stuf – about John Law and his system, bankrupted traders, bourse locations, and even “agioteuses” – female traders, reprimanded for their speculative actions.

In a false moment of historical sensation, I thought I bumped into my own name at the edicts du roy (but it turned out to be the word “juger”). What is more interesting: I found a sealed letter with a testament – only to be opened in the presence of Rutger Jan Schimmelpenninck. Let’s see whether we can persuade the French collection specialists to break the seals….

 

From France to Vercelli, to a wonderful workshop on Women and Early Modern Philosophy and Science, where I presented a paper on “The Science of Sex”.

 

On to Rennes, where I met with a great, interdisciplinary, international group of researchers working on the 1720 financial crisis and its representations: “Représentations de la spéculation. Le Système de Law et ses miroirs européens (1715-1725). AFFICHE JE 19 MAI. We discussed the many activities we plan for 2020 – the 300 year’s “anniversary” of the 1720 bubble – scheme – wind trade. Presented a work in progress paper, that I am writing together with Wouter de Vries on the concept of Wind trade / Windhandel:

Purquoi le vent?

Back to Paris, for more archival research and for a workshop on Civic epistemologies – knowledge and the Early modern City.

And a tour along the historical sites of Paris early modern trading  locations (Rue de Quincampoix, Hotel de Nevers, Hotel de Soissons, Bourse de Commerce, etc) – scattered over the city, mostly destroyed, rebuilt, reallocated or under construction:

 

In between: lots of time in TGV and Thalys to read these two – quite contrasting – new publications on Le système de Law:

 

Perspective web

This week, we’re at the Lorentz Center at Leiden for an intensive Workshop on “Language, Knowledge and People in Perspective”. The workshop brings together an interestingly diverse group of experts on NLP, semantic Web, media studies, social sciences, and companies working on data science and perspective mining: Elsevier, Trivago, Blendle, Kieskompas, research journalism. What are we trying to accomplish? Nothing less than a Perspective Web for all.

https://www.lorentzcenter.nl/lc/web/2017/878/info.php3

 

 

 

Boekenweek

fruit

Het is Boekenweek – thema: verboden vruchten. Werk aan de winkel dus!

  • Zondag bij VPRO OVT over pornopioniers van de 17e eeuw:

https://www.vpro.nl/speel~RBX_VPRO_8103689~ovt-26-maart-2017-10-00-11-00-1e-uur~.html

Verlichting de deur uit voor God en Gebod?

Een reactie op toekenning van de KNAW – AMMODO award voor Alicia Montoya & het interview met haar in NRC (30 jan. Wetenschap p. 19).

Afgelopen week werd bekend gemaakt dat Alicia Montoya een van de winnaars is van de Ammodo KNAW Awards voor haar onderzoek naar achttiende-eeuws boekbezit. Haar “ongebonden fundamenteel” onderzoek zou uniek en onderscheidend zijn omdat het aantoont dat in het Europa van de Verlichting juist religieuze boeken het beste verkochten. De NRC kopt in een interview met de Nijmeegse hoogleraar Franse Letterkunde “Verlichting? De middenklasse las vooral over God en gebod”.

Nu gun ik Alicia Montoya de prijs van harte, en juich ik, als onderzoeker van de vroegmoderne tijd, elke honorering van Verlichtingsonderzoek toe. Maar de argumentatie om nu juist dit onderzoek uit te lichten is op zijn zachts gezegd opvallend.

Inderdaad: het traditionele Verlichtingsonderzoek richtte zich lange tijd geleden vooral op de ‘grote’ Verlichtingsfilosofen – Diderot, Voltaire, Rousseau, Locke, Hume, etc. Maar al sinds de jaren ‘70/’80 zijn onderzoekers begonnen om de claims van het traditionele Verlichtingsonderzoek kritisch door te lichten, onder andere door te onderzoeken wat er daadwerkelijk bij de Europese bevolking in de boekenkasten stond. Wat was nu eigenlijk het bereik van de Verlichte filosofen?

De Franse letterkundige Robert Darnton, nu directeur van Harvard Library, stuitte begin jaren tachtig op een uniek archief: de Société Typographique de Neuchâtel. Deze “piratenuitgeverij” bespeelde vanaf de veilige kant van de Zwitserse grens de Franse markt waar strenge censuur heerste. Darnton kon op basis van dit archief laten zien dat de “bestsellers of revolutionary France” niet zo zeer uit de grote filosofen bestonden, maar uit pornografische romans, schandaalwerken, utopieën, en zeer diverse werkjes met radicaal gedachtegoed. Opvallend dus om nu net dit archief genoemd te zien in het NRC-interview met Montoya, dat juist wil benadrukken dat de 18e-eeuwse leescultuur zo religieus zou zijn.

Met dat statement is overigens niets mis. Sterker nog: het is een open deur. Darnton mag dan een menigte radicaal-erotische bestsellers hebben weten te traceren, in feite gaat het hier om een heel beperkt segment van de Europese boekenmarkt: smokkelaars vanuit Zwitserland die leverden voor de Franse schandaalmarkt. Kijken we naar een land als Nederland in de achttiende eeuw, dan zien we een heel ander beeld. Al sinds de jaren ’80 hebben we in Nederland een indrukwekkende school opgebouwd met kwantitatief én kwalitatief onderzoek naar leesgedrag in de Verlichtingsperiode. Deze “school” werd aangevoerd door Joost Kloek en Wijnand Mijnhardt, die met hun pioniersonderzoek (o.a. geïnspireerd door Duits onderzoek) naar Middelburgse boekhandelscatalogi en leesgenootschappen overtuigend bewezen dat de Nederlander in de achttiende eeuw toch vooral religieuze én praktische lectuur kocht. Dit onderzoek werd ondersteund en uitgebreid door studies van o.a. José de Kruif, Arianne Baggerman, Han Brouwer en Gert-Jan Johannes. Op basis van uiterst tijdsintensief onderzoek en zorgvuldige analyses van boedelinventarissen, uitgevers-boekhoudingen, de inhoud van tijdschriften, en lijsten van leesgenootschappen en leesbibliotheken, lieten zij overtuigend zien dat het Nederlandse leespubliek primair religieuze en praktische lectuur bleef lezen, eerder gematigd dan radicaal-revolutionair.

Het is in dit verband opmerkelijk om te zien dat Montoya boedelinventarissen “een bewerkelijke bron” noemt en zich daarom in eerste instantie liever richt op de “makkelijkste” (maar overigens interpretatief juist de meest wankele) bron: veilingcatalogi. José de Kruif analyseerde in haar dissertatie uit 1999 al meer dan 600 boedelinventarissen, waarin ruim 1.100 boeken voorkwamen. Haar conclusie noemde De Kruif (toen al) weinig verrassend: jawel, de grote Verlichtingsdenkers schitterden door afwezigheid, en de bulk van het materiaal was religieus van aard. Kloek en Mijnhardt hebben al dergelijke onderzoeksgegevens bijeengebracht in IJkpunt 1800 – Blauwdrukken voor een samenleving, een magistraal overzichtswerk over de Nederlandse cultuur en geschiedenis van de 18e eeuw, dat helaas nooit een prijs heeft gekregen.

Het is dan ook opmerkelijk dat het onderzoek van Montoya, dat precies dezelfde stellingen wil onderbouwen (overigens zonder dat het onderzoek daartoe al verricht is), nu als vernieuwend en beloftevol gehonoreerd wordt. Het idee dat haar onderzoek “de aandacht van de grote denkers naar het brede publiek” zou verleggen is vooralsnog weinig origineel te noemen, evenals de claim dat catechismussen en gebedenboekjes het meest gelezen zouden zijn in de 18e eeuw.

Er is echter nog een probleem. Voorgaande studies over leesgedrag lieten ook zien dat er weliswaar sprake is van een langdurige dominantie van religieuze en praktische lectuur, maar dat deze categorieën wel degelijk aan fundamentele veranderingen onderhevig zijn. De Verlichting slaat, zo zouden we kunnen stellen, het hardste toe in de kerk. Het gaat immers in de categorie “populaire religieuze werken” tegen het einde van de 18e eeuw allang niet meer om “God en Gebod” (zoals de NRC kopt), maar om uiterst ingrijpende, vaak door verlichte ideeën geïnspireerde, herinterpretaties van het religieuze leven. God is in deze werken vaak niet meer de strenge rechter, maar de rechtvaardige en liefhebbende vader. Jezus is niet primair de zoon van God, maar vooral een verstandige en medelevende “mensenvriend”. Veel gematigd-verlichte schrijvers rekken het begrip van godsdienst op totdat het niet meer in conflict staat met natuurwetenschap, of met verlicht-filosofische inzichten over werking van mens en geest. Dat grote verhaal van de Verlichting is niet zo makkelijk na te tellen via bibliotheekveilingen, omdat het intensief leeswerk vergt.

Het zou treurig zijn als we, in deze tijden waarin conservatisme en religieus fanatisme onze ooit zo moeizaam verworven ruimte voor kritisch denken en verlichte waarden bedreigen, het verhaal van de Verlichting wegstoppen achter een fictie van ogenschijnlijk onveranderlijk leesgedrag.

Affectieve Kennis: wees emotioneel over wetenschap en democratie!

 

“Wetenschap is niet maar een mening” schrijven José van Dijck en Wim Saarloos in NRC van 3 januari. De president en vice-president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen houden in dit opiniestuk een sterk pleidooi voor de (her)waardering van kennis en feiten ten opzichte van meningen. In een mondiaal politiek klimaat waarin de onze traditionele “hoeders van feitelijkheid” – de journalistiek, rechtspraak en wetenschap –worden aangevallen of simpelweg terzijde geschoven, is het uiterst noodzakelijk dat wetenschappers pleiten voor waardering van rationele feitelijkheid.

Als wetenschapper onderschrijf ik dit pleidooi van harte. Ik zou het liefst nog sterker willen stellen: wetenschappers, juristen, journalisten en andere “feitenhoeders” zouden er goed aan doen om hun passie voor feitelijkheid meer te tonen. In een publiek debat waarbij feiten niet alleen ten opzichte van meningen worden geplaatst, maar ook ten opzichte van visie, ideologie en gevoel, gaan wetenschappers het niet redden als zij alleen de rationaliteit van hun werk benadrukken. Dat is niet strategisch, en het is historisch ook niet correct. Laat ik het tweede punt eerst uitleggen.

Van Dijck en Saarloos doen een beroep op de Verlichting als traditionele kraamkamer van de rationele wetenschappelijke methode. Deze visie op de Verlichting is echter de afgelopen decennia behoorlijk onder druk komen te staan. De Verlichting is niet alleen een periode waarin logica en rationaliteit als leidraad worden omarmd voor het vaststellen van algemene waarheden, het is ook “The Age of Sensibility”, een periode waarin filosofen en natuuronderzoekers tot inzicht komen dat waarheidsvinding afhankelijk is van het menselijke zintuiglijke én emotionele systeem. David Hume stelt in A Treatise of Human Nature (1740) dat al het kennen afhankelijk is van de menselijke ervaring en sensaties. “Reason is and ought to be the slave of the passions”. Wetenschapshistorici zoals Jessica Riskin of in eigen land Dorothee Sturkenboom hebben laten zien dat empirische methoden in de tijd van de Verlichting niet zo zeer gebaseerd waren op een “the dispassionate scrutiny of facts”, maar dat feitenvaststelling hand in hand ging met sensibiliteit. De natuur werd niet (alleen) gezien als een mechanistisch systeem van bewegende materie, maar ook als een systeem met eigen “desires”, een eigen wil, en moraliteit. Elektriseermachines werden uitgetest door een jongen en een meisje op te stellen die elkaar “een elektrieke kus” probeerden te geven. Helden van de Verlichting zoals Diderot, Buffon, Condillac en Condorcet benadrukten het belang van instinct, innerlijk gevoel en sensibiliteit in waarheidsvinding, waarbij sensibiliteit een samenspel is van sensaties (zintuigelijke ervaringen) en sentiment, oftewel emoties. Geen waarheid dus zonder emoties.

Menig Verlicht filosoof en wetenschapper zou, vermoed ik, dan ook vraagtekens hebben gezet bij het pleidooi van Van Dijck en Saarloos om kinderen al van jongst af aan te “trainen in een gedeeld discours waarin logica en rationaliteit leidend zijn zodat het recht op eigen meningen en emoties gerespecteerd kan blijven worden”. De tegenstelling die hier tussen emoties en feiten wordt gemaakt is té rigide. En dat geldt ook voor de conclusie van dit opiniestuk dat een cultuur zonder gezamenlijke feiten vervalt van democratie tot emocratie. Ik ben het volledig eens met de claim dat door betrouwbaar onderzoek vastgestelde feiten een van de pijlers zouden moeten zijn van een democratisch systeem, en dat politici die moedwillig en achteloos vastgestelde feiten van tafel denken te kunnen vegen, geen plaats hebben in een democratie. Maar dat laat nog onverlet dat emoties geen rol kunnen of dienen te spelen in een democratisch systeem. Martha Nussbaum benadrukt keer op keer de intelligentie van emoties en het belang van emoties in democratische porcessen. Emoties gaan over kwetsbaarheid – door die toe te laten, komen we erachter wat daadwerkelijk van belang is voor ons. Verwondering en medeleven vormen het begin van betrokkenheid en inzicht, ook in politieke systemen. In haar meest recente boek Strangers in Their Own Land analyseert ook socioloog Arlie Hochschild het belang van gevoelens in politiek. In een poging om de razendsnelle opkomst van de Tea Party en uiterst rechts in Amerika te duiden, is Hochschild rond gaan reizen en traint zij haar empathische vermogens om te kunnen begrijpen waarom mensen op politici zoals Donald Trump willen stemmen. Hochschild’s ervaringen in het moeizame neerhalen van “the empathy wall” bieden volgens de zeer enthousiaste Amerikaanse pers een middel “for renewing the promise of American democracy”.

Dit soort grondige studies roepen dus de vraag op of een democratie niet altijd een emocratie is, en dat ook zou moeten zijn. Niet alle emoties werken goed in een democratie – haat, angst, walging -, maar zoals Nussbaum bepleit: die emoties kunnen ook met andere emoties worden bestreden, niet alleen met het verstand. Als emoties belangrijke cognitieve instrumenten zijn, dienen ze ook een intrinsiek onderdeel uit te maken van democratieën.

Tijd dus om de affectieve kanten van kennis en kennisvergadering te tonen. Tijd om niet af te laten om steeds weer onze passie voor kennis te tonen. Van de daken schreeuwen als het nodig is. Misschien is het tijd dat wetenschappers, in antwoord op de politieke partij “Denk”, een partij “Onderzoek!” oprichten, met een voorzitter in de stijl van Newsroom-anchor Will McAvoy die als een moderne gepassioneerde Don Quichote feitelijkheid verdedigt en alle op gratuite meningen gebaseerde onzin-uitspraken van hedendaagse politici uitdaagt en neer probeert te sabelen. De KNAW zou daarvoor voldoende kandidaten moeten kunnen leveren.

Image result for elektrische kus

Verder lezen:

Arlie Russell Hochschild, Strangers in their own land : anger and mourning on the American right. New York 2016.

Martha Nussbaum, Politieke emoties: waarom een rechtvaardige samenleving niet zonder liefde kan; Ambo 2014.

Jessica Riskin, Science In The Age Of Sensibility : The Sentimental Empiricists Of The French Enlightenment. Chicago 2002.

Dorothee Sturkenboom, De elektrieke kus. Over vrouwen, fysica en vriendschap in de 18de en 19de eeuw. Amsterdam 2004.

Zie ook theme group “Knowledge and the Market: Affective economies”, onderdeel van het internationale onderzoeksproject: Creating a Knowledge Society in a Globalizing World – 1450 to 1800.